 |
Wij houden ons ook bezig met inburgeren. We ontwikkelen daarvoor materiaal, waar we ook u
misschien een plezier mee kunnen doen. Gebruik het gerust.
Sinterklaas
Sinterklaas is de hoofdfiguur van een kinderfeest dat al op 5 december in Nederland en op 6 december in België en
in enkele (voormalige) Nederlandse koloniën wordt gevierd. Hij houdt veel van kinderen. Maar.. hij komt niet uit
Spanje maar uit Kessarië, een stad in Azië.
Veel tradities in het sinterklaasfeest komen van Nicolaas van Myra, de bisschop uit Myra. Sint heeft een lange witte
baard en hij rijdt op een schimmel die Amerigo heet. Hij rijdt over de daken van de huizen.. Hij draagt daarbij
zijn bisschopskleding: een rode tabberd, een mijter, een ring en een staf.
In Nederland zet men vanaf de 15e eeuw de schoen. In eerste instantie gebeurde dat in de kerk en was de opbrengst
voor de armen. Toen Sinterklaas later een familiefeest werd, zetten kinderen hun schoen in de kamer bij de
schoorsteen. Kinderen krijgen dan in hun schoen koek, snoep en speelgoed.
Pakjesavond
De pakjes- of surpriseavond is in Nederland pas na de oorlog, dus na 1945. Bij de pakjes hoort een gedichtje.
Zwarte Piet
Sinterklaas heeft een knecht, Zwarte Piet, die de zak met cadeautjes draagt en door de schoorstenen kan kruipen
om de pakjes in de schoenen van de kinderen te stoppen. Terwijl Sinterklaas altijd statig en netjes is, gedragen
de Pieten zich als acrobaten en grappenmakers.
Zie ginds komt de stoomboot...
|
Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan.
Hij brengt ons Sint-Nicolaas, ik zie hem al staan.
Hoe huppelt zijn paardje het dek op en neer,
hoe waaien de wimpels al heen en al weer.
Zijn knecht staat te lachen en roept ons reeds toe:
‘Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe!‘
Oh, lieve Sint-Nicolaas, kom ook eens bij mij
en rijd toch niet stilletjes ons huisje voorbij!
|
|
Christendom, met nadruk op het kerstfeest
Het Christendom draait om Jezus Christus, de zoon van God
Jezus is geboren in Bethlehem. Hij is de zoon van Maria.
Jezus is in een stal geboren. Tussen de dieren.
Jezus is een gewoon mens, maar ook heel bijzonder: de zoon van God.
Op 25 december vieren we de geboorte van Jezus.
Toen Jezus ongeveer 30 jaar oud was, ging hij vertellen over God.
Jezus ging ook mensen genezen.
Blinden konden weer zien en manken konden weer lopen. Dit zijn wonderen.
Jezus was populair bij de gewone mensen.
Veel hoge heren moesten niets van Hem hebben.
Op zijn 33ste wordt hij gearresteerd. Hij wordt ter dood veroordeeld.
Hij sterft aan het kruis.
Het kruis is het symbool van het christendom.
In Nederland hebben we nu te maken met verschillende kerken. Het grootste
verschil is
Maria
Bij de katholieken is Maria, de moeder van Jezus, erg belangrijk. Zij kan in de hemel voor ons een
goed woordje doen. Protestanten geloven daar niet in.
Jezus aan het kruis
In de katholieke kerk zijn schilderijen van Jezus aan het kruis. Er zijn ook schilderijen en beelden
van Maria. In de protestante kerk zie je dat niet. De protestanten houden niet van dat soort dingen.
Kleding
In de katholieke kerk heb je priesters (pastoors). Zij dragen mooi geborduurde kleding. In de protestante kerk
heb je dominees, mannen én vrouwen, zij dragen een zwarte toga.
Tien Geboden
- Er is maar 1 God
- Maak geen beeld of tekening van God
- Vloek niet
- De zondag is rustdag
- Heb respect voor uw vader en uw moeder
- Je mag niet moorden
- Je mag niet met een ander naar bed
- Steel niet
- Jok niet
- Verlang niet naar mensen of dingen die bij een ander horen
Het kerstfeest
Op kerstavond, 24 december, gaan veel mensen naar de kerk. Ook geven veel mensen elkaar deze avond cadeautjes.
Eerste en tweede kerstdag zijn dagen voor de familie. Als je geen familie hebt, kun je je wel eens eenzaam voelen
deze dagen. In veel huiskamers staat een kerstboom. De Kerstboom is versierd met lampjes of kaarsjes en staat
symbool voor de terugkeer van het licht in de lente en is een overblijfsel van de Germaanse Midwinterviering.
Kerstliedjes
Er zijn erg veel kerstliedjes. Een hele bekende is:
|
Nu Zijt Wellekome
Nu zijt wellekome Jesu, lieve Heer;
Gij komt van alzo hoge, van alzo veer!
Nu zijt wellekome van de hoge hemel neer;
Hier al in dit aardrijk zijt Gij gezien nooit meer;
Kyrieleis.
Wees welkom, Jezus lieve Heer,
U komt van heel hoog en van heel ver
Wees welkom uit de hoge hemel
Hier op aarde hebben wij u nooit meer gezien
Kyrieleis
| |
Het wapen, de vlag en het volkslied van Nederland
Geschiedenis
De wortels van de Nederlandse koninklijke familie liggen in het Duitse graafschap Nassau en
de leeuw op het koninklijk wapen is dezelfde als die op het oudste wapen van het Huis van Nassau,
dat uit de 13e eeuw dateert. De Nassau‘s oefenden in de rest van de Middeleeuwen een aanzienlijke
politieke invloed uit in de Lage Landen. De familie veranderde haar naam later in Oranje-Nassau.
De vlag gaat uit op
- 31 januari - Verjaardag van H.M. de Koningin
- 27 april - Verjaardag Z.K.H. Kroonprins Willem Alexander
- 30 april - Officiële viering van de verjaardag van de koningin
- 4 mei - Nationale Dodenherdenking (18.00 - 20.15 halfstok)
- 5 mei - Nationale Bevrijdingsdag
- 17 mei - Verjaardag van H.K.H. Prinses Máxima
- 15 augustus- -Viering einde Tweede Wereldoorlog in Nederlands Oost-Indië
- 3e dinsdag in september - Opening van de Staten-Generaal (alleen in Den Haag)
- 15 december - Koninkrijksdag
Het volkslied: het Wilhelmus
Let op: de eerste letters van de coupletten vormen de naam: W i l l e m v a n N a s s o u
|
Wilhelmus van Nassouwe
Ben ik, van Duitsen bloed, (Duits of diets)
Den vaderland getrouwe (vaderland = geboortestreek)
Blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
Ben ik, vrij onverveerd, (=zonder vrees)
Den Koning van Hispanje
Heb ik altijd geëerd.
In Godes vrees te leven
Heb ik altijd betracht,
Daarom ben ik verdreven,
Om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
Als een goed instrument,
Dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.
Lijdt u, mijn onderzaten
Die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
Bidt God nacht ende dag,
Dat Hij mij kracht zal geven,
Dat ik u helpen mag.
Lijf en goed al te samen
Heb ik u niet verschoond,
Mijn broeders hoog van namen
Hebben 't u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in 't eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.
Edel en hooggeboren,
Van keizerlijken stam,
Een vorst des rijks verkoren,
Als een vroom christenman,
Voor Godes woord geprezen,
Heb ik, vrij onversaagd,
Als een held zonder vreden
Mijn edel bloed gewaagd.
Mijn schild ende betrouwen (schild = beschermer; figuurlijk)
Zijt Gij, o God mijn Heer, (betrouwen = vertrouwen)
Op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
Uw dienaar t`aller stond, (t`aller stond = op elke tijd)
De tirannie verdrijven
Die mij mijn hart doorwondt. (doorwondt = verscheurt)
Van al die mij bezwaren
En mijn vervolgers zijn,
Mijn God, wil doch bewaren
Den trouwen dienaar dijn,
Dat zij mij niet verassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.
Als David moeste vluchten
Voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
Verlost uit alder nood,
Een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.
Na 't zuur zal ik ontvangen
Van God mijn Heer dat zoet,
Daarna zo doet verlangen
Mijn vorstelijk gemoed:
Dat is, dat ik mag sterven
Met eren in dat veld,
Een eeuwig rijk verwerven
Als een getrouwen held.
Niet doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.
Als een prins opgezeten
Met mijner heires-kracht,
Van den tiran vermeten
Heb ik den slag verwacht,
Die, bij Maastricht begraven,
Bevreesde mijn geweld;
Mijn ruiters zag men draven
Zeer moedig door dat veld.
Zo het den wil des Heren
Op dien tijd had geweest,
Had ik geern willen keren
Van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
Die alle ding regeert,
Die men altijd moet loven,
En heeft het niet begeerd.
Zeer christlijk was gedreven
Mijn prinselijk gemoed,
Standvastig is gebleven
Mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.
Oorlof, mijn arme schapen
Die zijt in groten nood,
Uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
Zijn heilzaam woord neemt aan,
Als vrome christen leven,-
't zal hier haast zijn gedaan.
Voor God wil ik belijden
En zijner groten macht,
Dat ik tot genen tijden
Den Koning heb veracht,
Dan dat ik God den Heere,
Der hoogsten Majesteit,
Heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.
| |
|
 |