wip

Wip

Het is zondag, 7 september 2014, rond 16.00 uur ben ik in de buurt van Velp. Natuurlijk even langs pa en ma. De voordeur is open, ik haal diep adem. Wat tref ik aan? Alles is netjes opgeruimd, maar er beweegt niets. In de kamer? Niemand. Boven zie ik pa in zijn bed liggen, op Henk Jan zijn oude kamer. De tanden op het kastje ernaast. Hij is diep, heel diep, in slaap. Dood? Nee, hij beweegt. ”Ha, Net.” In de andere kamer is het ook stil. Ma ligt languit, op haar rug, in bed. Oogjes gaan open. Poeh poeh….

Ze voelen zich beroerd, ze zijn vooral eenzaam met z’n tweeën. Ze verstaan elkaar slecht, slapen in aparte kamers, wisselen weinig woorden en bovendien wordt er bij het minste of geringste gescholden. Het zijn lange, nare nachten en saaie lange dagen. Er is pijn en onvermogen.

“Zouden we een griep hebben?”.  Tja, dat is ook nog mogelijk.  Ik vraag ze naar beneden, zet een bakkie koffie en zet drie stoeltjes in de zon. Het is een triestig clubje. Een kreukelig vrouwtje dat steeds roept dat het voor haar niet meer hoeft, een voorovergebogen oude man die net niet bij het stukje onkruid kan en daar hartgrondig over vloekt. Na een kleine twee uur ga ik weg. “Hè, jammer, kan je niet blijven?’” Nee, ik kan niet blijven, maar ik begrijp de vraag. Dat zou makkelijk zijn, zo’n begripvol knechtje. Met verdriet in mijn lijf verlaat ik de Ruijterlaan. Het is zoals Jos zei: tragisch.

Wap

Vandaag, twee dagen later, is het mijn zorgdag. Om halfelf ben ik er. In mijn tas vers gemaakte appelmoes van onze eigen appels en een maaltijd voor morgen. Verder een lekker sapje en wat andere rommeltjes. Pa slaapt en schrikt wakker. Die ouwe die slaapt wat af! Ma daalt neder met het trapliftje, vertrouwd gehuld in oude, zwarte lappen die steeds wijder worden. We drinken koffie, praten wat over niets, ik maak de wc-vloer schoon die lekker onder gepiest is en vraag of er nog andere klusjes zijn. Even wat strijken en het in lappen gehulde wijffie kijkt toe. Ze bijt op haar tong, want ze wil eigenlijk zeggen dat ik de theedoeken anders moet opvouwen. Goed zo, bekkie dicht! Dan nog even stofzuigen boven. Nu nog koken. Ze hebben al een paar dagen vreemd gerommeld, met van die kant-en-klare pannenkoeken uit een zakje en dan nog een beetje soep. Vandaag aardappelen, spruiten en er staan nog drie gehaktballen. Ha, die staan op de kelderplank en als ik de deksel eraf haal lachen drie harige, beschimmelde ballen me tegemoet. Gelukkig zijn er in de vriezer nog, je raadt het nooit, hamburgers! Ma eet mondjesmaat en vertelt dat ze vanmorgen alleen een oud kapje opheeft met appelstroop. Ik begrijp het echt niet. Naar eer en geweten niet! Ze hebben een vriezer, ze kunnen sneetjes brood pakken en toch eten ze altijd en eeuwig nare, oude boterhammen. Tja, ik ben moe en verlaat aangeslagen het ouderlijk huis, ontevreden over mijn ouders, ontevreden over mezelf, over mijn onvermogen tot begrip, over mijn onvermogen respectvol lief te hebben.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *